Baudet, Europa, democratie, deel 1


dinsdag 28 januari 2014

Als rechts ruzie maakt, is het tijd voor linksradicalen om eventjes op te letten. Gaat het ergens over? Zo nee: skippen het gekibbel, hopen dat de strijdende partijen elkaar flink verzwakken, en intussen ons eigen ding doen en uitdragen. Zo ja: extra opletten en niet in de val trappen. De verleiding om partij te kiezen vor het mindere kwaad is in dit soort situaties net zo verkeerd als de neiging om ruzies waar het wel om serieuze zaken gaat, volstrekt te negeren. In het geval van de ruzie tussen Thierry Baudet en geestverwanten enerzijds en een flink deel van het intellectuele en politieke establishment anderzijds staan serieuze dingen op het spel. Maar reden om partij te kiezen tussen de twee kampen in wat nu al het Baudet-debat wordt genoemd, is er niet. Er is echter meer dan louter die twee kampen.

Het begon op 16 december. In de NRC verscheen die dag een stuk van Baudet en Bastiaan Rijpkema. Titel: “Vrijhandelsverdag tussen EU en VS minacht democratie”. Daarin wijst het tweetal op een vrijhandelsovereenkomst tussen VS en EU waarin allerlei handelsliberaliseringen worden geregeld. De schrijvers wijzen op potentiële nadelige gevolgen als bijvoorbeeld de biologische landbouw wegens vrijhandelsprincipes niet meer beschermd mag worden door nationale overheden. Ze wijzen er ook op dat bedrijven via klachten voor Europese rechters lastige wetgeving, “bijvoorbeeld over groene energie of milieunormen”, buitenspel kunnen zetten. Ze wijzen erop dat zodoende “de cultuur en de nationale zelfbeschikking van de sluitende partijen”, dus ook van Nederland, wordt bedreigd. Ik heb overigens de indruk dat de twee zich over die “nationale soevereiniteit” heel wat drukker maken dan over het lot van de biologische landbouw die er als gelegenheidsargument worden bijgesleept. En ze klagen: “Ondertussen blijven alle afspraken geheim”. En: “het is des te schokkender dat wij niets weten over de voorstellen die komende week ter tafel zullen komen. Niets!” Het is een teken van “minachting van onze politici voor democratie en soevereiniteit. Ze zouden de bevolkingen van de nationale staten moeten vertegenwoordigen – maar ze zetten die juist steeds verder buiten spel.” Geen heel opmerkelijk stuk, zou je denken. Deels valide kritiek op nadelige effecten van handelsliberalisering. Deels ook een hang naar “nationale soevereiniteit” en culturele eigenheid die een conservatieve opvatting laten zien. En deels verwijzingen naar “het volk” dat bij de besluitvorming buiten spel staat.

Maar enkele dagen laten verscheen er in hetzelfde NRC een boze reactie, van een ex-bankier, een vakbondsbestuurder, een staatsrechtgeleerde, een jurist/ historicus, nog een jurist, een econoom, een advocaat en nog een econoom. Dit gewichtige genootschap dat zich zo ongeveer presenteerde als het Denkende Deel der Natie, veegde de NRC de mantel uit vanwege het feit dat die het stuk van Baudet en Rijpkema zelfs maar hadden geplaatst. Ze wezen op onjuistheden in het stuk: “Onderhandelaars krijgen een mandaat mee. Bijna alle stukken zijn openbaar of ‘lekken uit’.” Dat laatste is natuurlijk al een gek argument, want die uitgelekte stukken waren dus wel degelijk bedoeld als geheim. Verder: “Sommige stukken zijn vertrouwelijk, maar dat is volkomen normaal in onderhandelingen tussen staten en organisaties.” Anders gezegd; veel van de stukken zijn helemaal niet openbaar, maar dat vindt de Bende van Acht dus wel okay. Het Behoudende Tweetal is onnauwkeurig geweest, want van absolute geheimhouding is inderdaad geen sprake. Maar in de praktijk komt het daar toch in de buurt, hoe hard de Bende van Acht ook brult. De acht klagen dan ook nog op luide toon dat wie het hardste schreeuwt, gehoord wordt, wat een beetje merkwaardig is want hun eigen toon is veel agressiever dan die van Baudet en Rijpkema. Ze willen blijkbaar zelf gehoord worden zonder dat hun tegenstanders hoorbaar zijn. Zo kan ik het natuurlijk ook.

Ze suggereren ook een gevaar: “Al te gemakkelijk wordt getornd aan de basisinstituties en -waarden van deze open samenleving, bevochten en opgebouwd door onze ouders en grootouders”. Waar het tweetal “cultuur” verdedigt, en “soevereiniteit”, daar komen de acht op voor basisinstitiuties en -waarden”. Het behoud van wat ís, staat centraal in beide kampen in de zich ontplooiende Kulturkampf. Twee soorten conservatisme zijn hier in gevecht, eentje meer bestuurlijk, de ander meer romantisch en nostalgisch getoonzet. Maar waar de twee gewoon argumenten aandragen, daar roepen de acht de NRC op om de argumenten van de twee niet zozeer te weerleggen, maar gewoon uit de kolommen te houden. “NRC, bespaar ons retoriek van Baudet en co over EU” , heet hun stuk. Erg dappere en vrije geesten zijn het niet. Interessant detail: het stuk van Baudet en Rijpkema staat achter een betaalmuur op internet; het stuk van de acht kruisvaarders tegen de ketterij is vrij beschikbaar. Het establishment duldt kritiek, maar die moet niet al te vrij beschikbaar zijn.

Nu zou je uit bovenstaande kunnen afleiden dat Baudet en Rijpkema in dit debat de meer verstandige houding innemen. Ik denk dat echter niet. Ze nemen in het debat echter wel de positie in van een soort underdog, en ze zeggen dingen die op zichzelf juist zijn, maar binnen een verraderlijk rechts verhaal. De krampachtige banvloeken van de acht wekken geen enkele sympathie. En de acht verwoorden wat in de gevestigde politiek gedacht wordt: verdere uitbouw van de EU is onmisbaar, net als handelsliberalisering tussen EU en VS. Besluiten hierover zijn voorbehouden aan politici en bestuurders due, gemandateerd via de parlementaire democratie, ongestoord hun werk moeten kunnen doen. Rechtstreekse inbreng vanuit “het volk” wordt niet op prijs gesteld. Precies vanwege die laatste, vrijwel openlijk antidemocratische, houding komen mensen als Baudet over als meer democratisch, en op die basis sympathieker. Precies vanwege die arrogante houding vanuit het bestel scoren ook ruwere rechtse krachten zo als ze met democratische argumentaties a la Baudet schermen.

Dat in hun versie van democratie minderheidsrechten maar al te gemakkelijk onder de voet worden gelopen, is waar. Hans Goslinga spreekt in Trouw van “een radicaal denken dat zich niet beroept op een rivaliserende ideologie maar op de democratische idealen van volkswil en vrijheid.” Individuele vrijheid is niet gegarandeerd: “De claim op individuele vrijheid is dus selectief, maar die selectiviteit wordt gerechtvaardigd met een beroep op de volkswil. In deze visie is de staat niet gebonden aan het recht, maar aan de wil van de meerderheid van het volk.” Dit is een “breuk met democratie als vorm van beschaving”. En het risico van een breuk tussen democratie en rechtsstaat is groot.” Dat wordt onplezierig, “waar de grote bek de welwillendheid op de vlucht jaagt. Het radicale denken mondt (…) dus uit in weinig goeds: een rauwe, ontketende democratie. Heldring had gelijk: de democratie moet zichzelf duchten.” Ik zou het niet in termen van “rechtsstaat” formuleren. Maar dat er in de door Goslinga geschetste democratie-opvatting iets zeer onaangenaams schuilgaat, is onmiskenbaar. De afgelopen jaren waarin met name Wilders grootmeester is geworden in het bespelen van dit ogenschijnlijk radicale democratische draaiorgel, spraken boekdelen. ‘Het volk wil geen EU’, ‘Het volk wil geen islam’ – het is een behendig mechanisme om enerzijds een volk te scheppen naar eigen politieke behoefte, en vervolgens dat volk als legitimatie voor nationalisme en moslim-bashing te gebruiken.

De narigheid is dat de neerbuigende toon vanuit het establishment jegens verwijzingen naar ‘het volk’ en haar zeggenschap, precies de “rauwe, ontketende democratie” als reactie op dit bestel extra geloofwaardigheid verschaft. Een schitterend voorbeeld van die neerbuigende houding gaf historicus Dirk-Jan Snel, in “De Imaginaire Democratie van Thierry Baudet” . Hij reageert ermee op een speech die Baudet hield bij het aanbieden van 63.000 handtekeningen ter ondersteuning van de eis tot een EU-referendum. Snel wijst Baudet uitvoerig terecht met historische feiten: de democratie in Nederland begon niet “rond 1848” zoals Baudet stelde, maar pas na de Eerste Wereldoorlog toen er algemeen kiesrecht was. Parlementaire verantwoordelijkheid voor wetgeving en budget is daarentegen al veel ouder en stand al in de grondwet van 1815. Overdracht van bevoegdheden, ook aan bijvoorbeeld de EU, past uitstekend in de Nederlandse staatsrechtelijke verhoudingen. Als historicus heeft Snel hier feitelijk gelijk.

Maar het is allemaal aanloop tot een politiek punt. Snel vervolgt zijn betoog door erop te wijzen dat Baudet een radicaal democratie-concept hanteert, de rol van vertegenwoordiging in het Nederlandse bestel geringschat, dat Baudet hamert op zaken als “volkssoevereiniteit” waarvan Snel zegt: “In de Nederlandse traditie is het nooit breed omarmd.” Snels zegt: “Als Baudet …) spreekt van ‘het soevereine volk van Nederland’, gebruikt hij een radicaal, zeker niet algemeen aanvaard concept.” Hij spreekt van een “radicale gedachtengang”, wat het – in vergelijking met een bestel waarin vertegenwoordigers en door vertegenwoordigers gelegitimeerde maar nauwelijks gecontroleerde bestuurslagen de baas zijn en “het volk” slechts eens in de paar jaar aan zet is, zonder dat zelfs dat veel effect heeft – ook is. Spreken over “volkssoevereiniteit” klinkt als spreken over een min of meer robuust soort democratie. Let wel: ‘klinkt als’; of het werkelijk zo is, staat nog te bezien. Die volkssoevereiniteit onder de tafel werken en buiten de “Nederlandse traditie” plaatsen, geeft intussen de praktijk in Nederland erg goed weer. Maar erg democratisch is het niet. Snel wint de discussie als historicus, maar van veel democratisch verlangen geeft hij geen blijk. Ook deze deelnemer aan het debat verdedigt het establishment, de gevestigde orde.

Maar hoe zit het met die radicale democratie van Baudet? Vinden linksradicalen in hem een onverwachte bondgenoot op dit punt? Merijn Oudenampsen komt in de buurt van zo’n conclusie. In zijn artikel “Sympathie voor Baudet” neemt hij Snels op de hak vanwege diens feitelijk weinig democratische opvattingen. Daarin ben ik het met hem eens. Hij wijst er ook op dat Baudet ten onrechte 1848 als startpunt voor de democratie aanwijst, en niet de Bataafse republiek met haar relatief democratische grondwet, meer dan een halve eeuw eerder. 1848 klinkt nog veilig behoudend, Bataafse republiek klinkt voor de conservatief die Baudet is een beetje te revolutionair, zo vermoedt Oudenampsen. Hij ziet dat Baudet ‘het volk’ inzet voor reactionaire doeleinden, voor een “romantisch reactionair conservatisme”, dat streeft naar “omverwerping van de bestaande status quo om een geïdealiseerd verleden te realiseren.” En hij verzucht: “Op dit punt moeten progressieven toch jaloers zijn op Baudet, al houden we er heel andere doelen op na. Wij zouden dat toch ook moeten willen: de gedachte van een ander Nederland dat leeft onder het volk; de verbeelding aan de macht! Het is door conservatieven als Baudet overgenomen uit een rijke linkse traditie.”

Oudenampsen hoopt kennelijk dat links gaat doen wat rechtse lieden als Baudet nu doen en waar hij Baudet voor prijst: zich dat radicale concept van democratie en volkssoevereiniteit toeëigenen, en het dat voor emancipatoire doeleinden benutten. Ik vrees echter dat dit zomaar niet gaat. Baudets democratie-opvatting en zijn rechtse wereldbeeld zijn niet zomaar uit elkaar te trekken. Volkssoevereiniteit en nationale staat horen niet zomaar toevallig bij elkaar, en de traditie waaruit Baudet die democratie heeft geplukt is misschien wel rijk, maar niet zonder meer links. Daarover in een volgend stuk meer.

(wordt vervolgd)

Peter Storm

Noot: Snels moest Snel zijn, dank, oplettende lezer, verbeterd dus, en excuus voor de vergissing. Ik weet zelf hoe ergerlijk een misplaatste s achte de achternaam kan zijn. (Verbeterd, 28 januari 14.03 uur).

, , , , ,

  1. #1 by Olav Meijer on 2014/01/30 - 00:26

    Citaat: “Overdracht van bevoegdheden, ook aan bijvoorbeeld de EU, past uitstekend in de Nederlandse staatsrechtelijke verhoudingen. Als historicus heeft Snel hier feitelijk gelijk.”

    Dat is m.i. niet juist waar het gaat om bevoegdheden die essentieel zijn voor de werking van democratie in Nederland en die grondwettelijk zijn geregeld. Denk aan het budgetrecht van de Tweede Kamer! Als de facto de Grondwet geweld wordt aangedaan, zijn m.i. de zware voorwaarden vereist die voor elke wijziging van de Grondwet gelden: twee maal behandeling in beide Kamers van de Staten-Generaal , daartussen in verkiezing van een nieuwe Tweede Kamer, en een 2/3 meerderheid in beide Kamers bij de tweede behandeling. Bovendien zou ik een referendum in zo’n geval eigenlijk prefereren. (Dat werd immers ook gehouden bij de invoering van de nieuwe Europese “Grondwet”…pardon…Verdrag. Al werd de overduidelijke afwijzing door het volk toen naderhand sluw omzeild, wat in de toekomst natuurlijk moet worden voorkomen).

  2. #2 by nexus m. on 2014/01/29 - 10:36

    @Peter, “Ik weet zelf hoe ergerlijk een misplaatste s achte de achternaam kan zijn.”‘

    Een misplaatste s midden in de naam is ook heel ergerlijk. Je wil niet weten hoe ergerlijk is zodra ambtenaren heel vaak mijn naam als “neksus” opschrijven. Ik erger me bont en blauw eraan.

  3. #3 by rob lubbersen on 2014/01/29 - 02:47

    Wat Oudenampsen ook negeert dat is de dreiging van Baudet richting ‘links’ (die zich schuldig maken aan “onvergeeflijke misdaden”) zoals gememoreerd in de Extra 239-1 in Solidariteit.nl onder de titel “Hou ze in de gaten”.

Comments are closed.